Brainstormen

In de tweede fase van de ontwerpcyclus ‘Ideeën verzinnen en selecteren’ is het belangrijk om ideeën te verzinnen voor het ontwerp. Om leerlingen deze ideeën te laten verzinnen wordt vaak geadviseerd om gebruik te maken van verschillende brainstormtechnieken, maar om deze brainstormtechnieken goed te kunnen uitvoeren zullen leerlingen ook brainstormvaardigheden moeten bezitten.

In het boek ‘Brainstormen, 50.000 ideeën per dag!’ van Koen de Vos worden enkele brainstormvaardigheden genoemd met oefeningen om deze vaardigheden te ontwikkelen. In deze blog worden een aantal van deze vaardigheden besproken en wordt uitgelegd hoe jij dit als leerkracht in de klas kan oefenen gebaseerd op het boek van Koen de Vos.

 

Uitstellen van oordelen

Bij brainstormen is het nodig om in de fase van het ‘ideeën verzinnen’ oordelen uit te stellen met als doel al de ideeën van jezelf en van anderen een kans te geven. Dit geeft jou de mogelijkheid om slechte en gekke ideeën te gebruiken als aanzet tot nieuwe en betere ideeën. Dit houdt voornamelijk in dat je opportunistisch moet denken, zodat je meer kijkt naar wat je met ideeën kan doen en hoe je ze kan kan aanpassen en verbeteren.

 

Oefenen

Om dit met leerlingen te oefenen zou je de leerlingen kunnen laten nadenken over iets positiefs van een negatieve gebeurtenis, zoals de vervuiling, een overstroming, het kwijtraken van een baan, het verliezen van een wedstrijd of het missen van een trein. Wat is hier positief aan? Wat kan het je uiteindelijk opleveren?

Het kan ook andersom, laat leerlingen eens nadenken over iets negatiefs van iets dat positief voor hen is, zoals een computerspel, een sport of een idool. Wat is hier negatief aan? Wat levert het hen niet op? Dit soort oefeningen helpt de leerlingen hun reflexmatige oordeel uit te stellen en hun eerste reactie in twijfel te trekken.

 

Alternatieven blijven genereren

Gedurende de fase van het ideeën verzinnen is het nodig om zo veel mogelijk ideeën te verzinnen, maar in het begin kan het nog lastig zijn om na een aantal ideeën nog verder te verzinnen. Je kan dan het gevoel hebben dat de inspiratie op is en dat alle mogelijke ideeën al zijn verzonnen. Het levert echter vaak wel iets op om toch nog door te gaan. Dit kan je op de volgende manier oefenen met de leerlingen.

 

Oefenen

Laat de leerlingen verschillende ideeën verzinnen voor een bepaald onderwerp, waarbij je een ideeënquota instelt, wat betekent dat zij een vast aantal ideeën moeten verzinnen (20 dingen die kan doen voor vaderdag, 30 manieren om jezelf te vermaken op zondag, etc.). Door dit in te stellen zet je jezelf aan de gang tot het doel is bereikt, wordt geoefend met het uitstellen van oordelen en ontwikkel je meer vat op het creatieve proces.

 

Anders waarnemen

Voor brainstormen kan het handig zijn om het gebruikelijke eens anders waar te nemen, dan zoals het altijd al wordt gezien. Dit wordt creatief waarnemen genoemd en houdt in de eerste reflexmatige waarneming uitstellen, in vraag stellen en jezelf dwingen het anders te zien, horen, voelen of ruiken. Dit deed je vroeger waarschijnlijk als kind al wel toen je bijvoorbeeld een springtouw gebruikte als paardentuigje of een groot blaadje als bordje om van te eten.

 

Oefenen

Dit creatief waarnemen kan je goed met kinderen in de klas oefenen. Kies hiervoor een voorwerp (zoals een stoel, een boek, een vork) en laat kinderen allemaal ideeën verzinnen van wat deze voorwerpen nog meer kunnen voorstellen. Hoe zouden deze ook gebruikt kunnen worden? Bespreek dit vervolgens met elkaar en je zult erachter komen dat een bepaald voorwerp erg veelzijdig is. Tips die je de kinderen kunt geven om anders waar te nemen zijn: neem wat afstand want dan ziet het er vaak al weer anders uit, bekijk iets van juist heel dichtbij, kijk er met samengeknepen ogen naar of bekijken het op zijn kop.

 

Associëren

Soms roepen bepaalde gedachten, woorden, voorwerpen of ideeën andere gedachten, woorden, voorwerpen en ideeën op, zoals een ijsje die je doet denken aan een bepaalde vakantieplek. Dit zijn associaties en deze kunnen heel duidelijk zijn, maar ook heel bijzonder en persoonlijk. Creatieve mensen zijn in staat makkelijker vreemde associaties te maken en springen soepeler van de ene gedacht naar de anderen.

Twee manieren om te associëren zijn de kettingassociaties en bloemassociaties. Bij kettingassociaties brengt een gedachte jou op een volgende gedachte en weer op een volgende gedachte, zoals zon → warm → thee. Bij bloemassociaties koppel je alles aan één centraal woord, voorwerp, gedachte of idee. Hoe meer associaties, des te origineler de associaties zullen zijn, aangezien je steeds dieper zal moeten denken om het te kunnen koppelen.

 

Oefenen

Om te kunnen oefenen met kettingassociaties geef je de leerlingen een woord, zoals fiets. Vervolgens gaan de leerlingen hieraan associëren en kiest één leerling het volgende woord (bel) en een volgende leerling weer het volgende woord (school) enzovoort. Als de leerlingen hiermee geoefend hebben kan je de leerlingen het eerste en het laatste woord geven en bijvoorbeeld vier tussenwoorden laten kiezen of door een opdracht toevoegen (het moet steeds groter, kleiner, moeilijker qua taal etc.).

Om leerlingen een bloemassociatie aan te leren kun je de leerlingen in groepjes een woord geven. Vervolgens schrijven zij alle woorden op (zoals bij een woordweb) die te maken hebben met het woord. Zij moeten vervolgens kunnen uitleggen waarom dit woord volgens hen past bij het centrale woord.

 

Tijd voor actie!

Hopelijk heeft deze blog jullie enthousiast gemaakt om met de klas te oefenen met een van de brainstormvaardigheden, zodat er nog meer creatieve ideeën bedacht kunnen worden!

Heb je nog vragen of wil je meer weten? Neem contact op met ons en wij helpen jullie graag.

 

Literatuur + links